Verleende subsidies

Verleende subsidies

Het merendeel van het totaal ontvangen bedrag aan geld werd aangewend om een drietal projectgroepen extra ondersteuning te geven.

Het betrof in de eerste plaats het in kaart brengen van de moleculaire genetica van het HLA systeem (projectgroep I). De HLA moleculen kunnen beschouwd worden als de “verkeerstoren” van het immuunapparaat. Orgaan- en beenmerg-transplantatieonderzoek, de (immuno) therapie van kanker en de behandeling van immuno-pathologische ziekten zoals diabetes, coeliakie, reuma maar ook bv. lepra is gebaseerd op kennis van de moleculaire genetica van het HLA systeem. Het vormt het fundament voor al het overige werk.

De tweede grote projectgroep betrof het onderzoek om immuno-tolerantie t.o.v. getransplanteerde organen te induceren (projectgroep II). Dit zou in de praktijk betekenen dat een patiënt met een nier-, hart- of levertransplantatie geen geneesmiddelen behoeft in te nemen om de afstotingsreactie gericht tegen het getransplanteerde orgaan te onderdrukken.

De derde projectgroep betrof de (immuno)therapie van kanker met speciale aandacht voor de behandeling van leukemie, cervixcarcinoom en het melanoom in het oog (projectgroep III).

De mogelijkheid om zonder bureaucratische vertraging apparatuur te kunnen aanschaffen is voor een 9-tal projecten essentieel geweest (project groep IV), evenals de mogelijkheid om op korte termijn geld vrij te kunnen maken voor het opzetten van een workshop om nieuwe technieken op internationaal niveau te evalueren, werkbezoeken van z.g. “visiting scientists” mogelijk te maken en mensen op een (mini)sabbatical naar een ander onderzoekscentrum te sturen (projectgroep V).

Een viertal andere projectgroepen behoefde geringere steun b.v. stress en immuniteit (projectgroep VI) of konden door ontbreken van middelen maar beperkt gefinancierd worden, projectgroep VII (HLA en immunopathologische ziekten), projectgroep VIII ( Gentherapie) en projectgroep IX (Phagocytose).

Het is de bedoeling van dit rapport om vast te leggen aan welke onderzoeksgebieden geld is toegekend, wat daarvan de effectiviteit is geweest en deze gegevens te projecteren tegen het klimaat van moleculaire (cel)biologie onderzoek in Nederland in de periode 1985-2001.

Om dit te kunnen bereiken zijn drie verschillende benaderingen gebruikt. In de eerste plaats een subjectieve d.w.z. door degenen die ondersteuning hadden ontvangen een evaluatie te laten geven van de effectiviteit van de verkregen fondsen (zie Addendum 2). Samenvattend kan geconcludeerd worden hoe dankzij de verkregen fondsen nieuwe, produktieve lijnen van onderzoek gestart konden worden.

Een tweede, meer objectieve wijze om de effectiviteit van de verkregen gelden te meten, is het aantal publikaties, inclusief proefschriften en hun bibliometrische impactfactor (Addendum 3 en 4). Met een bijdrage aan 89 wetenschappelijke publikaties met een impactfactor tot en met die van Nature en de PNAS en 18 proefschriften wordt goed geïllustreerd dat de gegevens verkregen uit door Macropa gesteund onderzoek, na kritische “peer review”-publikatie, ook in toptijdschriften, waardig bevonden werden.

De meest objectieve manier om de effectiviteit van de Macropa-subsidies te bepalen is door de vraag te stellen of de Macropa-subsidies het mogelijk hebben gemaakt subsidies van andere fondsen te verkrijgen. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn (Addendum 5).